Ourwalkabout.nl is a blog about the world trip Michiel de Wit and Judica Wondergem are making in 2010.

19 April 2010, 17:02

Slippertjes

Goed geschoeid beri­j­den wij onze Kore­aanse vrien­den. Dat geld niet voor iedereen. Een van de vele din­gen die onder­weg op de Ho Chi Minh snel­weg opvie­len waren de slip­pert­jes. Regel­matig kwa­men we slip­pers tegen, een­zaam en alleen op het asfalt. Een enkele keer von­den we eerst het linker exem­plaar, om dan een paar kilo­me­ter later te moeten uitwijken voor zijn weder­helft. In tegen­stelling tot ons Ned­er­lan­ders, die ste­vig aan de voeten ver­ankerde Teva san­dalen dra­gen (och, wat een lelijke din­gen), besti­j­gen­Viet­namezen steev­ast hun heilige koe op flip-flops. Dat is eigen­lijk een beetje dom.

Overi­gens waren dat niet de enige slip­pert­jes van­daag. Hele stukken van de Ho Chi Minh snel­weg zijn keurig geas­fal­teerd, niet breed, maar wel vlak. Op een paar plaat­sen wordt echter al hard gew­erkt aan de gep­lande ver­bred­ing van 2 naar 4 banen. Op die plaat­sen, vooral bij grotere ste­den, is het asfalt wegge­haald in voor­berei­d­ing op de gep­lande herbe­strat­ing. Met dit weer en gezien de aard van de onder­grond betekent dat twee din­gen: slip­pert­jes en rode gezichten. Niet rood van de zon, maar gewoon van alle opwaaiende aarde.

Toen we eind van de mid­dag, na een prachtige toch met een paar aan­ge­name onder­brekin­gen (waaron­der een genoelijk ver­to­even in de hang­mat), in provin­ciehoofd­stad Gia Nghia aankwa­men, zaten we dan ook volledig onder het rode stof. Mijn witte shirt was een roodgestreepte zebra­trui gewor­den en onze gezichten had­den meer kleur dan op grond van alleen de zon te verk­laren is. Ze zullen wel gedacht hebben, toen we hier het hotel bin­nen kwa­men: uit welke klei zijn die getrokken?

We hebben onszelf grondig schoongeschrobt en de kleren in de week gelegd. Daarna ben ik op jacht gegaan naar broodnodige pro­teï­nen. Die vond ik aan de overkant. In een eet­ten­tje trof ik een paar aardige mensen me op mijn gemimede eetwens bedi­en­den met een een­voudige maaltijd. Helaas was ook de plaat­selijke dronkaard, ooit poli­tieagent (zo leerde de foto in zijn porte­feuille me) present. Hij was door mij geob­sedeerd en bleef in het (dronke­mans) Viet­namees tegen me praten. Steeds weer gaf hij me hand­jes en later zelfs hand­kussen. Merk­waardig. De eige­naar schoot gelukkig te hulp en diende mijn maaltijd op een andere tafel dan van de dronkaard op (inmid­dels was ik namelijk aan diens tafel uitgenodig).

Even later ver­scheen ook mijn red­ding Judica ten tonele. Haar aan­wezigheid maakte een einde aan de opdringerigheid van de blauwe man. De eige­naar en zijn vrouw, samen met de kot­ers, vergezelden ons. We klet­sten wat (als je ons han­den– en voeten­werk zo mag noe­men) en leer­den en-passant tellen in het Viet­namees. De broer van de eige­naar, die later ook ver­scheen, had een opmerke­lijke belang­stelling voor Den­e­marken. Hij bleef het land op ons kleine Point-it kaartje aan­wi­jzen. Ik weet nog altijd niet wat hij daarmee probeerde te zeggen. Een klein slip­pertje van het anders onfeil­bare beeld­wo­or­den­boek. Even­goed een leuke avond. We zijn klaar voor de derde etappe.


11° 60' N, 107° 42' E
19 April 2010, 16:59

Slippertjes

12. Echt een provinciestadje

Goed geschoeid beri­j­den wij onze Kore­aanse vrien­den. Dat geld niet voor iedereen. Een van de vele din­gen die onder­weg op de Ho Chi Minh snel­weg opvie­len waren de slip­pert­jes. Regel­matig kwa­men we slip­pers tegen, een­zaam en alleen op het asfalt. Een enkele keer von­den we eerst het linker exem­plaar, om dan een paar kilo­me­ter later te moeten uitwijken voor zijn weder­helft. In tegen­stelling tot ons Ned­er­lan­ders, die ste­vig aan de voeten ver­ankerde Teva san­dalen dra­gen (och, wat een lelijke din­gen), besti­j­gen Viet­namezen steev­ast hun heilige koe op flip-flops. Dat is eigen­lijk een beetje dom.

Overi­gens waren dat niet de enige slip­pert­jes van­daag. Hele stukken van de Ho Chi Minh snel­weg zijn keurig geas­fal­teerd, niet breed, maar wel vlak. Op een paar plaat­sen wordt echter al hard gew­erkt aan de gep­lande ver­bred­ing van 2 naar 4 banen. Op die plaat­sen, vooral bij grotere ste­den, is het asfalt wegge­haald in voor­berei­d­ing op de gep­lande herbe­strat­ing. Met dit weer en gezien de aard van de onder­grond betekent dat twee din­gen: slip­pert­jes en rode gezichten. Niet rood van de zon, maar gewoon van alle opwaaiende aarde.

Toen we eind van de mid­dag, na een prachtige tocht met een paar aan­ge­name onder­brekin­gen (waaron­der een genoeglijk ver­to­even in de hang­mat), in provin­ciehoofd­stad Gia Nghia aankwa­men, zaten we dan ook volledig onder het rode stof. Mijn witte shirt was een roodgestreepte zebra­trui gewor­den en onze gezichten had­den meer kleur dan op grond van alleen de zon te verk­laren is. Ze zullen wel gedacht hebben, toen we hier het hotel bin­nen kwa­men: uit welke klei zijn die getrokken?

We hebben onszelf grondig schoongeschrobt en de kleren in de week gelegd. Daarna ben ik op jacht gegaan naar broodnodige pro­teï­nen. Die vond ik aan de overkant. In een eet­ten­tje trof ik een paar aardige mensen me op mijn gemimede eetwens bedi­en­den met een een­voudige maaltijd. Helaas was ook de plaat­selijke dronkaard, ooit poli­tieagent (zo leerde de foto in zijn porte­feuille me) present. Hij was door mij geob­sedeerd en bleef in het (dronke­mans) Viet­namees tegen me praten. Steeds weer gaf hij me hand­jes en later zelfs hand­kussen. Merk­waardig. De eige­naar schoot gelukkig te hulp en diende mijn maaltijd op een andere tafel dan van de dronkaard op (inmid­dels was ik namelijk aan diens tafel uitgenodig).

Even later ver­scheen ook mijn red­ding Judica ten tonele. Haar aan­wezigheid maakte een einde aan de opdringerigheid van de blauwe man. De eige­naar en zijn vrouw, samen met de kot­ers, vergezelden ons. We klet­sten wat (als je ons han­den– en voeten­werk zo mag noe­men) en leer­den en-passant tellen in het Viet­namees. De broer van de eige­naar, die later ook ver­scheen, had een opmerke­lijke belang­stelling voor Den­e­marken. Hij bleef het land op ons kleine Point-it kaartje aan­wi­jzen. Ik weet nog altijd niet wat hij daarmee probeerde te zeggen. Een klein slip­pertje van het anders onfeil­bare beeld­wo­or­den­boek. Even­goed een leuke avond. We zijn klaar voor de derde etappe.