Ourwalkabout.nl is a blog about the world trip Michiel de Wit and Judica Wondergem are making in 2010.


6° 7' N, 102° 15' E
20 July 2010, 5:36

Mallereisië

Een korte samen­vat­ting van de logistieke oper­atie van de afgelopen 48 uur: 2 uur met de taxi, 20 minuten op de brom­mer, 22 uur in de trein en 9 uur op de boot. Waarom? Omdat onze visa voor Thai­land dreigden te ver­lopen en door nieuwe ver­van­gen moesten wor­den. En, geloof het of niet, de makke­lijk­ste manier om dat te doen is door een retourtje naar Maleisië te maken. Vlak over de grens met Thai­land ligt Kota Bahru, een provin­ciehoofd­stad met als een van de voor­naam­ste trek­pleis­ters een Thais consulaat-generaal.

Onze reis begon de 17e. Met de meest lux­ueuze boot die het eiland rijk is, een 10 stoe­len brede cata­ma­ran, vertrokken we halver­wege de mid­dag naar het Thaise vaste­land. Ondanks regen, wind en gol­ven zoefde de boot nage­noeg geruis­loos en zon­der rollen of deinen over het water. Een bij­zon­der aan­ge­name ervar­ing. Zeker als de regen op de ramen slaat en de boeg­gol­ven buiten hoog opspat­ten is het niet moeil­ijk de luxe van een com­fort­a­bele stoel en verkoe­lende air­con­di­tion­ing te waarderen.

Het ‘echte reizen’ (een woord dat eigen­lijk zou moeten rij­men op bikke­len) begon pas aan de vaste wal. Een tour­ing­car had ons van de pier naar Chumphon stad gebracht en voor het tre­in­sta­tion afgezet. De trein stond pas voor 9 uur in de avond op de vertrek­staat en buiten was alles nog licht. Wat rond­wan­de­len in Chumphon doo­dde de tijd. De stad is niet heel span­nend, maar zeker niet zon­der z’n gemakken. Enfin, Judica schreef al over onze superijsjes.

De trein­reis naar Maleisië was span­nend. In een Thaise couchette is het leven anders dan in een Chi­nese, zo leer­den we. Waren we op de Trans-Siberië trein gewend ger­aakt aan mooie coupées, dit keer sliepen we alle­maal op de gang. Bij het ocht­end­glo­ren voeg­den zich zwaar­be­wapende mil­i­tairen bij het reis­gezelschap. Het spoor naar Maleisië loopt dwars door drie opstandige provin­cies: het knip­tangetje van de con­duc­teur maakt dan niet genoeg indruk meer.

Vanuit Su-ngai Kolok kon­den we de grens gemakke­lijk over. Een taxirit van een uur, gedeeld met Franse pen­sion­houder David van buurei­land Pan­gan, bracht ons in Kota Bahru. Over die stad valt wel een aan­tal din­gen te melden. Maleisië is een Islami­tisch land en Kota Bahru is het vis­itekaartje van die iden­titeit. Onges­luierde vrouwen lieten zich met een veg­root­glas zoeken en op elke straathoek waren tek­sten in Arabisch-Maleis te lezen. Veel man­nen in jurken ook en absoluut geen varkensvlees op de coun­ters van straat­ten­t­jes; zelfs de tand­pasta is halal. Zo nu en dan was ook de gebed­so­proep te horen, zelfs bin­nen in super­mark­ten op de inter­com. Toch wel een cultuurshock.

Wat ons erg opviel was de over­weldigende vrien­delijkheid van de Malay: Thai hebben de naam, maar we hebben over de grens meer vrien­delijke gezichten in 24 uur gezien dan in Thai­land in een maand. Heel hulp­vaardig en aan­ge­naam in de omgang. Toch is het raar om te zien op welke manier de samen­lev­ing door de Islami­tis­che iden­titeit is ingericht: in de super­markt von­den we bijvoor­beelod aparte rijen voor man­nen, vrouwen en gezin­nen. Bij de McDon­alds droe­gen alle dames behalve een keurig uni­form kos­tuum ook een bij­passend uni­forme hoofd­doek. En dan de ham­burg­ers op straat: alles halal en de smaak van een dubbele kip­burger is bepaald niet mis.

Onze hotelka­mer had­den we uit­ge­zocht op luxe. De Malei­sis­che Rin­git ver­houdt zich 1:10 tot de Thaise Baht en we had­den ons de luxe grens van 100 Rin­git voor een hotel­nacht gesteld. Dat is ongeveer 25 euro. Met al dat reizen moet een mens zichzelf ook wel wat kiete­len. Sowieso had­den we al begrepen dat Kota Bahru niet bek­end staat om z’n goed­kope over­nacht­ingsadressen. Enfin: na wat zoeken von­den we een aan­ge­naam hotel. De kamer was prachtig: heel ruim met een zacht en schoon bed, plenty ruimte en een zithoekje. De bad­kamer stond daarmee in schril con­trast, maar de aanstaande ver­bouwing lost dat hopelijk op. Het water was even­goed heer­lijk warm (mijn laat­ste warme douche was alweer een maand gele­den) en we hebben de luxe van koffie en thee op de kamer ook goed laten smaken.

Het aan­vra­gen van nieuwe visa ver­liep heel soe­pel. De aan­vraag­for­mulieren had­den we al in Thai­land geprint en inge­vuld, zodat we weinig meer hoef­den te doen dan de papieren door het loket te schuiven. De vol­gende ocht­end, na een min­der ges­laagd Maleis hotelont­bijt (met rijst en aller­lei soepachtige gerechten, maar zon­der lekkere brood­jes of yoghurt) kre­gen we onze paspoorten met nieuwe visa weer even gemakke­lijk terug door het loke­traam geschoven. Heel snel. De taxi stond nog op ons te wachten en reed ons in een uurtje vliegen­vlug terug naar de grens (we had­den namelijk een trein te halen). Stem­pels, een wan­del­ing over een brug in nie­mand­s­land en we waren weer terug in Thailand.

De trein vertrok uit­er­aard met ver­trag­ing en toen we na uren­lang zit­ten en kanen­braaien het leven in de coupé grondig zat begonnen te raken (ook al waren de vele verkop­ers die met aller­hande etenswaren langs de wag­ons leur­den soms best amu­sant), wer­den we door twee vrien­delijke med­ereizigers getipt dat we bijna bij Surat­tani waren, alwaar we ruim op tijd zouden zijn voor de nacht­boot. Ons oor­spronke­lijke plan was terug naar Chumphon te gaan en daar na een nacht op straat/aan de pier de ocht­end­boot naar Koh Tao te nemen. De nacht­boot bleek een beter idee. Veel luxe hoef­den we natu­urlijk niet te verwachten: de boot bleek al vol, maar voor ons werd nog een aan­tal slaap­plaat­sen geïm­pro­viseerd. Op de nacht­boot slaapt iedereen op smalle matrasjes op de grond, dus we vie­len in het geheel niet op. De stapels verse eieren en promi­nent opgestelde scoot­ers gaven onze slaap­plaats nog enige beschutting.

Op de boot kon­den we nog wat slapen. Net op tijd om de zon bij Koh Tao te zien opkomen waren we weer wakker. Na een vaart van een kleine 8 uur kwam de boot weer terug op ons vertrouwde paradei­land. Fijn om al die bek­ende plekken weer te zien, zeker na die lange trein­rit met mitrailleurs en ein­de­loos veel sta­tions. Ons motor­fi­et­sje stond nog op ons te wachten en we waren opgelucht te merken dat (mede dankzij onze waakse kakker­lak) in ons hutje alles nog stond waar het hoorde.

Nu liggen we weer op bed. Ons bed­den­goed is lekker schoon en we geni­eten met volle teu­gen van het gevoel weer terug ‘thuis’ te zijn. Maleisië voelt als een malle droom, een gekke vliegensvlugge reis. Over een week of zes gaan we terug naar dat mys­terieuze land en ontsluieren we hopelijk wat meer van ‘s lands schoonheden.

  • Print
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • PDF
  • Twitter
  • Hyves

Stuur een reactie