Ourwalkabout.nl is a blog about the world trip Michiel de Wit and Judica Wondergem are making in 2010.


16° 48' N, 107° 5' E
28 April 2010, 11:18

Grenzelaos gelaoterd

Grr! Dat had zo’n leuke dag moeten wor­den, dachten we. Gis­ter­avond genoten we een beschei­den maaltijd als afscheid van dit ver­rukke­lijke land. We ston­den er eigen­lijk amper bij stil dat ons afscheid miss­chien best wat grootser had gemogen. In dit soort gevallen is er gelukkig altijd kos­mis­che pech die maakt dat je gewoon­weg de grens met Laos niet over komt en je het afschei­ds­maal nog eens dun­net­jes over kunt doen.

Een kilo­me­ter of 90 vanaf Dong Ha trof­fen we, gezeten op onze stalen rossen, de grensover­gang met Laos. We had­den onszelf goed laten informeren en begrepen dat de grens met een motor­fi­ets over te steken valt, maar dat je dan per fiets 25 dol­lar zou moeten betalen. De Viet­namese douaniers waarschuw­den ons echter al dat we waarschi­jn­lijk van een koude ker­mis thuis zouden komen. Een­maal onder de indruk­wekkende poort van Viet­nam door gelopen en aangekomen bij de wat min­der opzien­barende toe­gangs­boog naar Laos, wer­den we in het Lao­ti­aans terecht­gewezen. Motor­fi­et­sen mochten niet mee, maar om 1 uur ‘s mid­dags zou er een bus naar Savan­naket vertrekken. Wat!?

Na wat zoeken von­den we iemand die Engels sprak en ons wist te vertellen dat er de afgelopen maand nie­mand bij Lao Bao de grens over was gekomen zon­der zijn motor­fi­ets achter te laten. Wat vreemd? Een bel­letje gepleegd naar onze vrien­den in Saigon. Die raad­pleeg­den hun con­nec­ties bij de Viet­namese over­heid en kon­den alleen maar delen in ons ongeloof. Er zou geen enkele reden moeten zijn waarom we de grens niet over zouden mogen. Van­daag nog had­den ze mensen ont­moeten die, duidelijk ges­tig­ma­tiseerd door de Lao­ti­aanse sticker op hun sno­rap­pa­raten, vorige maand bij Lao Bao de grens over gekomen waren. Een con­clusie rest dus: hufters aan de grens! We zijn genade­loos genaaid, waarschi­jn­lijk alleen maar omdat de vrouw van de hoofd­grens­be­waker met de ver­keerde brom­snor is vreemdge­gaan. Erg­er­lijk en zonde van 180km ben­zine en levensvreugd.

Ern­stig gedesil­lu­sioneerd over al deze ongein zijn we dus terug gegaan naar Dong Ha met het voorne­men de fiet­sen dan maar hier te verkopen. Het hotel waar we vanocht­end uitcheck­ten wilde ons gelukkig nog terugne­men. Onze fiet­sen zijn echter min­der gelukkig: we von­den iemand die de fiet­sen voor de fooi van 4.5 miljoen dong wilde kopen (ter vergelijk­ing: eerder betaalden wij er 17 miljoen voor).

Mor­gen is Judica jarig en we had­den gehoopt daar een leuk Lao feestje van te kun­nen maken. In plaats daar­van gaan we maar op de fiets naar Hué, in de hoop onze fiet­sen daar voor een betere prijs te kun­nen sli­jten. Bijkomende com­pli­catie: 30 april en 1 mei zijn nationale feestda­gen en veel hotels (zo niet alle) zijn rond die dagen vol­ge­boekt. Hopen op een dak dus. Wat een ellende… (maar de zon schijnt!)


17° 6' N, 107° 6' E
27 April 2010, 17:17

Licht aan het einde?

16. Bij de prachtige bamboestruiken

Een post die er wegens ver­moei­d­heid gewoon even tussendoor is geschoten. We zijn eer­gis­teren, de 27 ste nog naar de tun­nels van Vinh Moc geweest. Erg indruk­wekkend en dat­gene wat Judica zo graag wilde bezoeken. In deze tun­nels heeft een heel dorp gewoond en heeft de Viet­cong geholpen met het bouwen van de tun­nels. Het oor­spronke­lijke vis­sers­dorp was door de Amerika­nen plat­ge­bom­bardeerd en was een belan­grijke plek om een strate­gisch gele­gen eiland zo’n 30 km uit de kust te bevoor­raden. Er werd gedeel­telijk wel buiten gew­erkt maar er waren loop­graven om veilig en ongezien de tun­nels in te kun­nen komen. De tun­nels zijn vanaf de zee door Amerikaanse mari­neschepen beschoten en bestookt met bommen.

In tegen­stelling tot andere tun­nels zijn deze relatief intact gebleven. Ze zijn wel wat her­steld maar verder niet aangepast voor toeristen.

We wilden de post nog toevoe­gen van­wege de foto’s. Hele gezin­nen woon­den maan­den onder de grond en er zijn 9 kinderen geboren. Het heeft stand gehouden en is niet ver­woest door de Amerika­nen, al is er wel een dril bom geland die wel een gat heeft gedrild maar niet is ont­ploft. Het gat wat in de tun­nel ontstond hebben ze gebruikt als ventilatie.

Het was een bij­zon­dere tocht, vooral omdat ze daar woon­den en aan alles gedacht was, meet­ing room, soort van hos­pi­taal, een geboorte kamer en zelfs een kinderopvang.


16° 48' N, 107° 5' E
26 April 2010, 16:01

Dong (ge)Ha(aald)

8. Wauwie!

Tjonge tjonge, wat een rit. Van­daag hebben we 230 km afgelegd. Na een dagje rust in Hoi An ( het was weer heer­lijk zoals vanouds) en een gezel­lige maaltijd met nieuwe vrien­den moesten we van­mor­gen echt verder. De brom­mers reden super, maar na 30 km bleek al dat we in Danang iets ver­keerd had­den gedaan. Opens was de zee aan de link­erkant in plaats van aan de rechterkant. Hoe het opgelost is weet ik nog steeds niet, maar het viel mee. Daarna was de vraag of we nu opde weg voor de tun­nel of voor de berg­pas zaten? Het bleek de berg­pas. Stiekum waren we daar wel blij mee, het was ongetwi­jfeld een omweg, maar ein­delijk weer even lege wegen en prachtige uitzichten.

Aan de kust is er meer ver­keer, het rijdt een stuk min­der relaxed en er is ook min­der te zien. We waren nogal teleurgesteld en ik met name had het even hele­maal gehad met die brom­mers. Uitein­delijk hebben we heel veel pauzes gehouden (ook om Michiels stuur weer even goed vast te zetten) en kwa­men we moe maar wel voldaan aan in Dong Ha. Geen kont meer over en dan nog een hotel zoeken. Omdat we jul­lie graag wilden verbli­j­den met een berichtje moesten we 3 hotels af voor­dat we inter­net had­den. Het resul­taat mag er zijn, een lift (joepie, niet trap­pen op sjouwen) heer­lijk schone witte lak­ens, airco en een schone badkamer.

Nu gaan we nog even een aflev­er­ing kijken en dan lekker slapen… we zijn heel heel heel erg moe. Mor­gen staan de tun­nels van de Viet­cong op de plan­ning, een heel dorp onder de grond… span­nend!


15° 53' N, 108° 20' E
24 April 2010, 16:51

In de wolken

Het vooruitzicht van­daag weer terug naar Hoi An te rij­den bracht onze hoof­den op hol. Die waren overi­gens al wat war­rig door de toe­s­tanden die de ocht­end in petto bleek te hebben. In onze uit­geputheid waren we alle­bei blij door de wekker heenges­lapen en ston­den we een uur later naast bed en klam­boe dan gep­land. De lange rit die te wachten stond liet eigen­lijk maar weinig ruimte voor zo’n ver­trag­ing. Omdat een ‘ongeluk’ nooit alleen komt, was het wachten op deel twee. En ja, we wer­den op onze wenken bedi­end. Na haastig opruimen en ont­bi­jten zochten we de recep­tion­iste om uit te checken. Ze was alleen ner­gens te beken­nen. Omdat zij nog onze paspoorten had, kon­den we niet vol­staan met het achter­laten van de ben­odigde 1.3 ton.

Enfin, uitein­delijk zaten we dan op de motor­fi­ets, de zon al in het hoofd, zon­nebrand al op onze lede­maten. Maar dan! Het eerste deel van de rit bleek over een berg­pas te voeren. In de verte had­den we hem al zien liggen, nog onbek­end met ons lot. Wolken worstelden zich met moeite over de pas heen. Een half uur later wij ook… in de wolken. Ter­wijl we langzaam hoogte maak­ten, kwam het dak van de hemel steeds nader­bij. Het onver­mi­jdelijke liet niet langer op zich wachten en we staken let­ter­lijk onze hoof­den in de wolken. De rest vol­gde snel.

Een ritje in de wolken laat van alles achter. Indrukken om te begin­nen, maar ook een hoop dauw op lijf en leden. Een regen­bui is naar en bezorgt je snel een nat pak, maar een flinke wolk is beslist niet min­der onaan­ge­naam. Langzaa­maan dringt de koude door tot in je diep­ste en vergeet je alle zon­neschijn van de afgelopen tijd. Dan bekruipt je ook al het vocht. Wolken zijn water dat wacht op een goede reden om weer drup­pels te wor­den. Elke onef­fen­heid van de huid, haart­jes, tex­tiel: alle­maal goede aan­hecht­ingspun­ten voor con­dens. Na een half uur in de wolken waren we dan ook kletsnat.

Het mooie van dit soort buien is dat je ze gemakke­lijk kunt ontvluchten. Zodra de weg weer hoogte ver­loor, raak­ten onze hoof­den dan ook weer snel uit de wolken. We droog­den geli­jdelijk aan weer op in de warmte van het regen­woud en kre­gen een paar bij­zon­dere uitzichten voorgeschoteld. Half-opgedroogde riv­ieren, vele houten huis­jes met golf­platen daken, pal­men die met loof­bomen om bestaan­srecht twisten.

Na een lange rit met veel com­motie en een aan­tal nav­i­gatieuitdagin­gen kwam de haven dan toch ein­delijk in zicht. Gewaarschuwd door een omrit van 20km vroe­gen we op elke kruis­ing ‘Hoi An?’ Zo kwa­men we steeds dichter­bij, tot uitein­delijk de ons zo bek­ende anten­netoren van het postkan­toor in zicht kwam. Gewapend met onze herin­ner­in­gen van twee weken tevoren, von­den we snel en zon­der dralen ons voor­ma­lige hotel terug. En daar zit­ten we nu, met een volle buik (verkre­gen in een ons maar al te bek­end eet­ten­tje) en een brom­mende air­con­di­tion­ing (die overi­gens pas sinds de stroom een kwartiertje terug is weerge­keerd weer van zich liet horen). We zijn tevre­den, voldaan en klaar om een dagje lekker uit te rusten, even met onze hoof­den in de wolken.


15° 5' N, 107° 44' E
23 April 2010, 9:35

Where no man has gone before

Er hangt hier een zweem van inspan­ningsvocht. De jon­gens naast ons zijn hard bezig hun per­soon­lijke high­scores te ver­beteren en dat ruik je. We zit­ten in een Inter­net­cafe in Dak Glei, ergens halver­wege de mid­dle of nowhere en de beschaafde wereld. Judica noemt het ‘The Val­ley of Beauty’. Het is hier echt prachtig.

Het eerste deel van onze route van Pleiku naar Dak Glei was snel­weg, snel­weg, snel­weg. Een tamelijk drukke route en niet echt heel mooi. Ons oor­spronke­lijke doel was om naar Plei Can te rij­den, maar we had­den de wind goed mee en kwa­men daar al voor de lunch aan. Wel even een lekker broodje ges­nackt, maar daarna toch nog maar even het gas erop. En dat werd beloond!

Vanaf Plei Can werd de weg steeds mooier. We waren in een heuvel­land­schap beland en waan­den ons ’ The King of the Road’. Nie­mand te beken­nen en prachtige wegen. Veel bochten en na elke wend­ing weer een nieuwe ver­rass­ing. Soms werd ons de adem benomen door een nieuw uitzicht op de vallei, andere keren ston­den we opeens oog in oog met een authen­tiek (nee echt!) dorp­shuis, com­pleet met rieten punt­dak en op palen.

Hier in Dak Glei is het leven echt anders, zo anders hebben we het nog niet meege­maakt. Het is hier rustig, de mensen zijn… anders. Eigen­lijk is het net alsof we in Bul­gar­ije zijn aangekomen. Bergen, riv­ieren en relaxte mensen.

Onder­weg hebben we nog wat belan­grijke knopen doorge­hakt. Oor­sponke­lijk was het plan om via de Ho Chi Minh route direct door te rij­den naar Hue, maar na bijna een week op de weg zijn we toch eigen­lijk wel aan een pauze toe. En wat wil het ‘toe­val’: Hoi An ligt op een dag reizen hiervandaan.

Natu­urlijk zijn we in Hoi An al lang geweest, hebben we er niets nieuws te verwachten en zijn de stran­den bek­end ter­rein. Prachtig, pre­cies wat we nodig hebben! Als de wegen meezit­ten liggen we mor­gen­mid­dag weer lekker in het zwem­bad. De dag daarop vullen we dan in met fruit­shakes, pootje baden en een paar bezoek­jes aan bek­ende adressen. Direct ook een goed moment om onze was te laten doen. Som­mige kled­ingstukken zijn namelijk als zodanig niet meer herken­baar en kun­nen best een opfris­beurt gebruiken.

Na Hoi An gaan we dan verder richt­ing de DMZ, het gebied waar in de Amerikaanse oor­log het heftigst is gevochten. In die streek bieden motor­ri­jders tours aan; miss­chien wil er een­tje ons wel op sleep­touw nemen. En daarna… het ruime sop van Laos in, hopelijk met onze motors en net als nu zon­der touristen.


13° 59' N, 108° 0' E
22 April 2010, 14:04

Immer geradeaus

9. Langs een kerf in de bast loopt de rubber in een keramieken bakje

Van­daag was een lange dag… en toch viel het ook weer mee. De lang­ste etappe tot nu toe stond op het schema, 185 km van Buon Ma Thuot naar Pleiku.
We zei­den van­mor­gen tegen elkaar, laten we kijken of we het trekken en hoe ver we komen. Van­mid­dag om half 3 waren we al ingecheckt in het hotel in Pleiku.
Van­daag hebben we de hele weg alleen maar relatief goed asfalt gehad. We kon­den door­ri­jd­den en haalden een gemid­delde van 35 km in 45 minuten en dan een kwartier pauze. Hele­maal niet verwacht dat het zo goed zou gaan dus we zijn blij ver­rast en maken plan­nen voor morgen.

Onder­tussen zijn we alweer een paar dagen op de brom­mer en moeten we kijken hoe en waar we de grens met Laos over gaan. Won­der­lijk genoeg ont­popt Michiel zich nu als ware plan­ner ter­wijl ik het alle­maal wel geloof. Zo een werel­dreis veran­derd de zaken toch een beetje.

Omdat er over de reis van van­daag niet zoveel te vertellen valt dan maar wat infor­matie over hoe het in zijn alge­meen gaat op de brom­mer. Meestal rijdt ik voorop, dat begon omdat ik niet zo hard durfde en zo Michiel niet kwi­j­traakte. Eigen­lijk zijn we daar gewend aan ger­aakt en hele­maal op de snel­weg is het een fijne gewoonte. Ik heb mijn spiegels zo ingesteld dat ik Michiel in de ene spiegel goed zie en in de andere spiegel het ver­keer in de gaten kan houden.

Een ander iets waar we tege­naan­liepen was het gebrek aan com­mu­ni­catiemogelijkhe­den. Zo hebben we nu een aan­tal toetersig­nalen afge­sprro­ken (iedereen toetert hier, twee keer toeteren is niet herken­baar genoeg). Zo is het toe­ter­de­un­tje van ‘die zien we nooit meer’ het teken om te stop­pen. De ander antwo­ord met de toeter van ‘terug’. Ook zijn er handtekens… als je een soort praat­pop nadoet (duim en vingers open en dicht) betekent dat dat de ander zijn knip­per­licht nog aan heeft staan. Cam­era nadoen = foto maken en een vlakke hand betek­end’ ik heb dorst, laten we een plekje met drinken in de schaduw zoeken’. Verder is er nog de duim opsteken om te vra­gen hoe het gaat.

Van­daag zijn we er achter gekomen dat dit sys­teem nog niet feil­loos werkt. Tij­dens onze rit komen we vaak vast te zit­ten achter vracht­wa­gens die nu een­maal vaak niet harder dan 30 gaan. Ik vind het eng enh durf daar dan niet zo snel langs, eerst even er lang­sheen kijken. Michiel toe­terde waar­door ik eerst in mijn spiegel moest kijken en elke kans om in te halen kon ver­geten. Nadat dit een paar keer was gebeurd vroeg ik wat hij ermee bedoelde.… Het was zijn sig­naal dat ik er niet langskon. Toch niet hele­maal duidelijk want toen ik een keer probeerde in te halen zag ik twee koplam­pen van een tegen­liggende vracht­wa­gen toch wel erg snel op me af komen.
Is dat dan niet gevaar­lijk? Ongetwi­jfeld maar ze rij­den hier niet zoals in NL. Als je inhaalt wordt er soms voor je geremd om je langs te laten… en het komt vaak voor dat mensen niet goed inschat­ten of ze in kun­nen halen ( in zo een geval wordt je als brom­mer door de auto die in wilde halen vaak van de weg af gedrukt).

Aaah, dat klinkt eng… tja, pret­tig is anders maar het gebeurt niet vaak en je went eraan. het is eigen­lijk erg overzichtelijk, let in eerste plaats op de kwaliteit van de weg, daarna op wegge­bruik­ers die je in wilt halen (met name brom­mert­jes want rustig op de weg) en daarna pas op het ver­keer achter je.
Heel simpel…


12° 40' N, 108° 3' E
21 April 2010, 15:13

The road ahead is empty

11. Romantisch plaatje

Gis­ter­avond waren we beroemd­he­den in Quang Son, vanocht­end waren we weer gewone ster­velin­gen, te mid­den van enkel bomen en rode aarde. Ont­nuchterend, maar zeker niet zon­der charme. Om heel eerlijk te zijn vind ik het niet zo fijn dat ik door­lopend wordt aanges­taard, nageroepen en beet­gepakt. Omdat we in de regio zo’n beetje de enige West­erse touris­ten zijn, wor­den we echt als iets bij­zon­ders gezien. We vallen overal op. Ik mis de anon­imiteit soms een beetje.

Ons ritje van Quang Son, het dor­pje dat ons zo genereus een slaap­plaats bood toen we door regen strand­den, naar de QL14 (ofwel de Ho Chi Minh snel­weg) was fan­tastisch. Geen mens, hond, ziel of kip te beken­nen. Alleen wij en het snor­ren van onze zwarte vrien­den. Een aardige man had ons vanuit Quang Son zien vertrekken en had geho­ord dat we op weg naar de snel­weg waren; hij wachtte ons op bij een kruis­ing, bang dat we de afs­lag zouden mis­sen. Erg vrien­delijk. Zon­der zijn hulp had­den we vast en zeker 60 kilo­me­ter omgere­den, en niet over de beste wegen ook.

Het doorsteekje waar we met wat hulp op terecht waren gekomen, bleek nog in aan­bouw. Delen waren al geas­fal­teerd, op andere stukken waren nog een paar bouw­vakkers bezig (met de hand!) het grove steen­gruis voor de weg te leggen. Chuong vertelde ons in Saigon dat van elke 10 dol­lar die aan wegen wordt gespendeerd er miss­chien maar 4 echt wor­den gebruikt. De rest verd­wi­jnt in zakken onder­weg, met alle con­se­quen­ties voor de wegk­waliteit ten gevolg. Het zal dan ook wel daarom zijn dat de wegen niet met zware wegen­bouw­ma­chines, maar gewoon met hand en teiltje gebouwd worden.

We hebben volop genoten van de route. Onder­weg heb ik nog wat foto’s vanaf de scooter gemaakt: dat geeft wel een leuk beeld van het leven op de weg. Tussendoor stopten we eens om wat te drinken. Zulke plaat­sen zijn bijna overal te vin­den: gewoon je ogen open­houden voor een klein vit­rinekastje met wat stoeltjes.

Een­maal op de QL14 ging ons reis­tempo flink omhoog. Mooie ver­harde stukken, slechts zelden afgewis­seld met weg­w­erkza­amhe­den. Jam­mer genoeg deed zich onder­weg ook ons eerste pechgeval­letje voor. Judica d’r fiets maakte al een tijdje ram­mel­gelu­iden bij elke hobbel die hij nam. Dat baarde me zor­gen, maar ik probeerde het te negeren… tot­dat Judica stopte en melde dat ze aan­loopgelu­ide hoorde. Alarm!

Met kundig oog en voorzichtig om geen kok­end­hete onderde­len aan te raken, ont­dek­ten we snel dat de boven­ste helft van de ket­tingkast los zat. Er was een bout uit­getrild (en kwi­jt­ger­aakt) en daar­door was de kast wat ver­schoven. Dat verk­laarde een­sklaps de ram­mel­gelu­iden en het aan­lopen. We kre­gen de kast weer recht, maar moesten nog wel op zoek naar een nieuwe bout. Intussen had, zoals we onder­hand gewend zijn, zich weer een schare nieuws­gierige kinderen om ons heen verza­meld. Ze wachten vol span­ning af tot we een kun­stje zouden gaan doen. We lieten ze iet­wat bedrem­meld achter.

De bout von­den we op het erf van een garage. De buur­man van de sleutelaars wist ons met armge­baren duidelijk te maken dat de tech­nici even de stad in waren. Viet­namezen doen alles buiten en laten daar­bij nogal wat rot­zooi achter. Geen gek idee dus om maar eens op het erf te gaan speuren. Won­der boven won­der von­den we bijna direct een bout die paste. De Leather­man werd tevoorschijn gehaald om het geheel weer ste­vig aan te draaien, en daar gin­gen we weer!

Voor­dat we op zoek gin­gen naar een hotel in Buon Ma Thuot, stond er nog een kleine excur­sie op het pro­gramma: de Draysap water­vallen. We von­den ze met hulp van de Lonely Planet gemakke­lijk, maar waren wat teleurgesteld over hun omvang. De LP beloofde ons een 100 meter brede water­par­tij, maar door droogte was er niet veel gedonder te horen of te zien. Even­zo­goed een mooie plaats om even van het zadel te komen.

Inmid­dels liggen Judica en ik op een bed in een prachtige kamer op de vijfde verdieping van een hotel in Buon Ma Thuot. Niet zo goed­koop als gis­teren, maar wel met A/C, Inter­net en bove­nal een fan­tastis­che hal­fronde glazen pui die ons uitzicht op de stad geeft. Echt een geval­letje mazzel. Nu nog zaak bijti­jds naar bed te gaan voor de 5e dag zadelpijn en gashen­del­blaren: de lang­ste etappe tot nu toe naar Pleiku.


12° 9' N, 107° 53' E
20 April 2010, 14:47

Slippertjes 2 (the real deal)

9. In het dorpje verzamelen kinderen zich om ons heen

Hoe com­fort­a­bel snel­we­gen ook kun­nen zijn (hier is ook dat nog dis­cutabel), van­daag kozen we voor avon­tuur. Michiel had een prachtige route uit­gestip­peld die ons in 1 dag van Gia Nghia naar Buon Mo Thuot zou bren­gen en dan langs bin­nen­we­gen en een prachtig meer.

Gis­teren eindigde de rit nogal oms­tu­imig met veel stof en ste­nen. Van­daag begon de rit op dezelfde weg en Michiel lei­dde ons al snel de goede richt­ing op. Dit was echter amper nog een weg te noe­men. Judica klaagde na 2 km al dat dit niet echt haar droom­rit was. Het was onver­hard, maar leek hier en daar echt meer op een buckel piste. Na een half uur of uur kwa­menn we bij het eerste teken van leven. een klein stal­letje waar we direct wat te drinken kochten. De dames hier vertelden ons dat we in ieder geval op de goede weg zaten. Vol goede moed gin­gen we verder, maar het was afzien. Hier en daar was de onver­harde weg beter dan de snel­weg, dan was het mooi vlak. Soms was het net een offroad motor par­cours en was je al blij als je vooruit ging. Uit­er­aard reed menig Viet­namees ons met een flinke vaart glim­lachend voorbij.

Bij het vol­gende dor­pje was een splits­ing, we hebben gein­formeerd waar we heen moesten en haalden opgelucht adem, er was asfalt. De weg was prachtig en zou ons naar het dor­pje Dak Mak voeren waar we dan het natu­ur­reser­vaat in zouden rij­den. Dit stukje weg was een com­bi­natie van lege kro­nkel­wegget­jes (in 2 uur tijd zijn we niet één auto tegengekomen en slechts elke 10 minuten een andere brom­mer) met prachtige vergezichten en veel hoogte ver­schil. De weg vol­gende wer­den we steeds meer ver­rukt van de omgev­ing. Dit zouden ze ook zo het land van de duizend heuvels kun­nen noe­men. We bleven het asfalt vol­gen tot­dat deze ook weer overg­ing in een grote onver­harde weg.

Opeens zagen we weer een mini dorp alleen was de sfeer hier anders. De kinderen droe­gen meer gew­even kled­ing en waren wat donkerder. Een stukje verderop zagen we echt bam­boo huizen zoals we die in het open­lucht museum had­den gezien en wis­ten het zeker. Dit was een van de Cham stam­men die in het gebied wonen. Net zozeer als dat wij wer­den aange­gaapt keken we terug. Er was een klein stroom­pje waar kinderen naakt in speelden, baby’s wer­den op de rug gedra­gen in een doek en zware last werd getilt met een doek op het voorhoofd en de last op de rug. Dit is beter dan Sapa, het is echt en authen­tiek, en dan niet zoals de Lonely Planet het omschri­jft. We hebben op afs­tand wat foto’s van de huis­jes gemaakt maar wilden de mensen niet teveel in ver­legen­heid bren­gen. We reden verder op de goede onver­harde weg, er ston­den ver­keers­bor­den en we waren dan ook ver­baast dat één kilo­me­ter buiten het dorp de weg in zijn geheel niet meer bestond. Er was nog een klein jun­gle paadje. Omdat het best kon dat we al in het natu­ur­reser­vaat waren hebben we het jun­gle paadje nog even gevolgd maar toen er na 1 km nog geen ver­be­ter­ing was hebben we het opgegeven en zijn omgekeerd.

In het dor­pje wilden we vra­gen waar we waren. Uit­er­aard wer­den we direct bin­nen gevraagd (schoe­nen uit!) en mochten op de mat plaat­sne­men en mee geni­eten van het lokale ‘happy water’. Het was nog geen lunchtijd en we moesten nog rij­den, maar afs­laan kan/ mag niet. Een klein slokje dan maar. Deze locals vertelden ons dat we ergens in een mini dor­pje zaten en dat we ipv noordelijk oost­elijk waren gere­den. Dus weer terug.

Onder­weg toen we de kaart nog een keer bestudeer­den stopte een man die zijn dat Dak Mak (ik kan de naam niet meer horen) verder terug was ( we gin­gen dus de goede kant op nadat we waren omge­keerd). Zo reden we maar weer terug naar de vorige ‘grote’ provin­ci­es­tad om net voor de eerste regen­bui te schuilen bij een klein café. Daar vroe­gen we nog­maals de weg en ze zei dat dak Mak in de richt­ing lag waar we net van­daag kwa­men. Het wan­hopen begon. We hebben Chuong gebeld (red­der!) en hem gevraagd of hij kon ver­talen. Was er iemand die ons oor een bedrag de goede weg naar Dak Mak of de snel­weg wilde wijzen. Helaas, het regende, de prijs vervier­dubbelde en de afs­tanden wer­den genoemd. Nog 30 km (slechte weg) tot de snel­weg en dan nog 160 km naar BMT. De wan­hoop groeide.

Er waren nog twee opties. Of we zouden een slaap­plek proberen te zoeken in het mini dorp of proberen terug te komen naar de slaap­plek van de vorige nacht om mor­gen dan op de snel­weg richt­ing BMT te gaan. We besloten om terug te rij­den, dan had­den we mor­gen min­der voor de boeg (uit elk gehucht moet je ook weer wegkomen). Ter­wijl we teru­gre­den maak­ten we ons op voor de rotweg van het begin van de dag. Onder­tussen regende het niet meer hard maar miez­erde het, dus regen­jassen aan. Na 1 km op de weg terug zei Michiel dat het niet zo een goed idee was, Judica wilde echter toch verder. Een kilo­me­ter verder begon het een stuk te dalen. De weg was nat en mod­derig en de moed zakte ons in de schoe­nen. Nog even een stukje proberen zei Judica, Michiel benoemde dat hij het een erg slecht idee vond. Vij­fitg meter de helling af besloten we maar op te keren. Het was niet te doen en dit was echt nog niet het erg­ste stuk.

Omdraaien bleek makke­lijker gezegd dan gedaan, nadat we de brom­mers had­den omge­draaid liepen ze direct vast in de mod­der. Met veel moeite kre­gen we ze weer terug het heuveltje op, mede dankzij hulp van lokale Viet­n­mesen. Daar ston­den een aan­tal vracht­wa­gens te wachten die ook niet verder kon­den. De tip was om de tassen eraf te halen, zo was er min­der gewicht op het achter­ste wiel. We stopten even en kre­gen een stok om de mod­der mee uit de brom­mers te peuteren. De brom­mers deden het niet omdat geen profiel meer was maar een gladde klei achtige mod­der­laag op de ban­den en vooral ook tussen spat­bord en wiel waar­door de wie­len niet eens meer kon­den draaien.

Na een korte pauze om de regen wat weg te laten zakken (het zon­netje scheen weer) begonnen we aan de terug­weg naar het dor­pje. Alle opties waren weggevallen dus maar op zoek naar ene hotel. Het dorp heeft een hotel, ik zit er nu op bed. Voor een schamele 4,80 over­nachten wij hier met zijn tweeen. Voor­dat we naar bin­nen mochten moesten we ons eerst ont­mod­deren, we gle­den over straat zo glad waren onze schoe­nen. Geen airco en geen inter­net, geen hand­doekken (naja, van die mini hand­doeken die ook echt alleen voor je han­den werken) en geen lak­ens. Nadat we waren ingcheckt hebben we getankt waar­bij een vrien­delijke man ons erop wees dat we de motoren beter kon­den laten afspoe­len en ons de weg wees. Daar waren ze 20 minuten bezig om onze motoren mod­dervrij te maken zodat de wie­len weer ruimte hebben.

Onder­tussen had zich een grote groep kinderen verza­meld voor de spui­terij en waren wij de attrac­tie van de dag. Toen we wilden gaan eten was er een meisje dat goed Engels sprak en ons uitn­odigd in haar huis, we had­den zelfs mogen bli­jven slapen. Prachtig huis overi­gens en het meisje zelf was ook leuk. Mensen zijn hier zo behulpzaam en vrien­delijk dat we ons ver­baasd hebben en vereerd voelden. Na het eten wilden we deze post nog schri­jven in het lokale inter­net cafe maar het moment dat we inlog­den viel de stroom uit. Nu typ ik dit ter­wijl we onder onze klam­boe op bed zit­ten. Ondanks de klam­boe voelden we toch geprik en we vrezen voor vlooien.

Het was een geweldige dag en we hebben din­gen gezien die maar weinig mensen in Viet­nam zien. We hebben de gastvri­jheid mogen ervaren en zijn onder de indruk van het land… maar het liefst had ik toch in een iets schoner/ luxer bed gelegen.

19 April 2010, 17:02

Slippertjes

Goed geschoeid beri­j­den wij onze Kore­aanse vrien­den. Dat geld niet voor iedereen. Een van de vele din­gen die onder­weg op de Ho Chi Minh snel­weg opvie­len waren de slip­pert­jes. Regel­matig kwa­men we slip­pers tegen, een­zaam en alleen op het asfalt. Een enkele keer von­den we eerst het linker exem­plaar, om dan een paar kilo­me­ter later te moeten uitwijken voor zijn weder­helft. In tegen­stelling tot ons Ned­er­lan­ders, die ste­vig aan de voeten ver­ankerde Teva san­dalen dra­gen (och, wat een lelijke din­gen), besti­j­gen­Viet­namezen steev­ast hun heilige koe op flip-flops. Dat is eigen­lijk een beetje dom.

Overi­gens waren dat niet de enige slip­pert­jes van­daag. Hele stukken van de Ho Chi Minh snel­weg zijn keurig geas­fal­teerd, niet breed, maar wel vlak. Op een paar plaat­sen wordt echter al hard gew­erkt aan de gep­lande ver­bred­ing van 2 naar 4 banen. Op die plaat­sen, vooral bij grotere ste­den, is het asfalt wegge­haald in voor­berei­d­ing op de gep­lande herbe­strat­ing. Met dit weer en gezien de aard van de onder­grond betekent dat twee din­gen: slip­pert­jes en rode gezichten. Niet rood van de zon, maar gewoon van alle opwaaiende aarde.

Toen we eind van de mid­dag, na een prachtige toch met een paar aan­ge­name onder­brekin­gen (waaron­der een genoelijk ver­to­even in de hang­mat), in provin­ciehoofd­stad Gia Nghia aankwa­men, zaten we dan ook volledig onder het rode stof. Mijn witte shirt was een roodgestreepte zebra­trui gewor­den en onze gezichten had­den meer kleur dan op grond van alleen de zon te verk­laren is. Ze zullen wel gedacht hebben, toen we hier het hotel bin­nen kwa­men: uit welke klei zijn die getrokken?

We hebben onszelf grondig schoongeschrobt en de kleren in de week gelegd. Daarna ben ik op jacht gegaan naar broodnodige pro­teï­nen. Die vond ik aan de overkant. In een eet­ten­tje trof ik een paar aardige mensen me op mijn gemimede eetwens bedi­en­den met een een­voudige maaltijd. Helaas was ook de plaat­selijke dronkaard, ooit poli­tieagent (zo leerde de foto in zijn porte­feuille me) present. Hij was door mij geob­sedeerd en bleef in het (dronke­mans) Viet­namees tegen me praten. Steeds weer gaf hij me hand­jes en later zelfs hand­kussen. Merk­waardig. De eige­naar schoot gelukkig te hulp en diende mijn maaltijd op een andere tafel dan van de dronkaard op (inmid­dels was ik namelijk aan diens tafel uitgenodig).

Even later ver­scheen ook mijn red­ding Judica ten tonele. Haar aan­wezigheid maakte een einde aan de opdringerigheid van de blauwe man. De eige­naar en zijn vrouw, samen met de kot­ers, vergezelden ons. We klet­sten wat (als je ons han­den– en voeten­werk zo mag noe­men) en leer­den en-passant tellen in het Viet­namees. De broer van de eige­naar, die later ook ver­scheen, had een opmerke­lijke belang­stelling voor Den­e­marken. Hij bleef het land op ons kleine Point-it kaartje aan­wi­jzen. Ik weet nog altijd niet wat hij daarmee probeerde te zeggen. Een klein slip­pertje van het anders onfeil­bare beeld­wo­or­den­boek. Even­goed een leuke avond. We zijn klaar voor de derde etappe.


11° 60' N, 107° 42' E
19 April 2010, 16:59

Slippertjes

12. Echt een provinciestadje

Goed geschoeid beri­j­den wij onze Kore­aanse vrien­den. Dat geld niet voor iedereen. Een van de vele din­gen die onder­weg op de Ho Chi Minh snel­weg opvie­len waren de slip­pert­jes. Regel­matig kwa­men we slip­pers tegen, een­zaam en alleen op het asfalt. Een enkele keer von­den we eerst het linker exem­plaar, om dan een paar kilo­me­ter later te moeten uitwijken voor zijn weder­helft. In tegen­stelling tot ons Ned­er­lan­ders, die ste­vig aan de voeten ver­ankerde Teva san­dalen dra­gen (och, wat een lelijke din­gen), besti­j­gen Viet­namezen steev­ast hun heilige koe op flip-flops. Dat is eigen­lijk een beetje dom.

Overi­gens waren dat niet de enige slip­pert­jes van­daag. Hele stukken van de Ho Chi Minh snel­weg zijn keurig geas­fal­teerd, niet breed, maar wel vlak. Op een paar plaat­sen wordt echter al hard gew­erkt aan de gep­lande ver­bred­ing van 2 naar 4 banen. Op die plaat­sen, vooral bij grotere ste­den, is het asfalt wegge­haald in voor­berei­d­ing op de gep­lande herbe­strat­ing. Met dit weer en gezien de aard van de onder­grond betekent dat twee din­gen: slip­pert­jes en rode gezichten. Niet rood van de zon, maar gewoon van alle opwaaiende aarde.

Toen we eind van de mid­dag, na een prachtige tocht met een paar aan­ge­name onder­brekin­gen (waaron­der een genoeglijk ver­to­even in de hang­mat), in provin­ciehoofd­stad Gia Nghia aankwa­men, zaten we dan ook volledig onder het rode stof. Mijn witte shirt was een roodgestreepte zebra­trui gewor­den en onze gezichten had­den meer kleur dan op grond van alleen de zon te verk­laren is. Ze zullen wel gedacht hebben, toen we hier het hotel bin­nen kwa­men: uit welke klei zijn die getrokken?

We hebben onszelf grondig schoongeschrobt en de kleren in de week gelegd. Daarna ben ik op jacht gegaan naar broodnodige pro­teï­nen. Die vond ik aan de overkant. In een eet­ten­tje trof ik een paar aardige mensen me op mijn gemimede eetwens bedi­en­den met een een­voudige maaltijd. Helaas was ook de plaat­selijke dronkaard, ooit poli­tieagent (zo leerde de foto in zijn porte­feuille me) present. Hij was door mij geob­sedeerd en bleef in het (dronke­mans) Viet­namees tegen me praten. Steeds weer gaf hij me hand­jes en later zelfs hand­kussen. Merk­waardig. De eige­naar schoot gelukkig te hulp en diende mijn maaltijd op een andere tafel dan van de dronkaard op (inmid­dels was ik namelijk aan diens tafel uitgenodig).

Even later ver­scheen ook mijn red­ding Judica ten tonele. Haar aan­wezigheid maakte een einde aan de opdringerigheid van de blauwe man. De eige­naar en zijn vrouw, samen met de kot­ers, vergezelden ons. We klet­sten wat (als je ons han­den– en voeten­werk zo mag noe­men) en leer­den en-passant tellen in het Viet­namees. De broer van de eige­naar, die later ook ver­scheen, had een opmerke­lijke belang­stelling voor Den­e­marken. Hij bleef het land op ons kleine Point-it kaartje aan­wi­jzen. Ik weet nog altijd niet wat hij daarmee probeerde te zeggen. Een klein slip­pertje van het anders onfeil­bare beeld­wo­or­den­boek. Even­goed een leuke avond. We zijn klaar voor de derde etappe.