Ourwalkabout.nl is a blog about the world trip Michiel de Wit and Judica Wondergem are making in 2010.


10° 6' N, 99° 50' E
22 August 2010, 11:00

Botsing

We liggen op bed met een grote bak ijs. Com­fort food want van­daag weer eens een stressvolle mid­dag. Zoals Michiel al zijn kant van het ver­haal beschreef hier nog even mijn ervaring.

Na een heer­lijke lunch op weg naar huis, bergje omhoog om op de hoofd­weg te draaien. Ter­wijl Michiel naar links kijkt zie ik rechts een motor op ons afkomen. Ik roep ‘let op’ en Michiel kijkt om, in slow motion komt de motor steeds dichter­bij. Te weinig tijd om nog vooruit te rij­den. De bestu­ur­der remt, slipt en schuift ons de laat­ste halve meter over het asfalt tege­moet. Ik spring half van de brom­mer af als deze ons raakt.

Bin­nen een halve sec­onde staan Michiel en ik weer op de been om ons over de Thai te buigen. Every­thing okay?  We schuiven de motor en brom­mer aan de kant. Onze brom­mer reed niet dus ik was al bang dat hij stuk was maar Michiel hield een koel hoofd en haalde hem uit de ver­snelling. Mijn poging om de brom­mer te ver­schuiven gin­gen nu erg makke­lijk en prompt duwde ik de brom­mer tegen de Thai aan die voor onze brom­mer was gaan staan en begon te ker­men. Oepsiefloepsie.

Uit eerdere ver­halen weten we dat je mensen hier blijk­baar goed af kunt kopen. Michiel probeerde het met een bod van 50 euro maar dat werd afges­la­gen want ‘You were wrong’. Ik vraag Michiel of ik weg moet gaan, al het bewi­js­ma­te­ri­aal meen­e­mende en min­der gedoe. Ter­wijl hij de man naar de 20 meter verder gele­gen klin­iek helpt probeer ik de brom­mer. De spiegel hangt scheef maar hij start.

Michiel komt nog naar buiten en ik zeg dat ik naar huis ga. Onder­weg durf ik niet harder dan 20 en ben ik bang achter­volgd te wor­den. We horen zoveel ver­halen over maf­fia op dit eiland. Thuis­gekomen zet ik de brom­mer ‘boven’ neer zodat hij vanaf de weg niet gezien kan wor­den en ga naar bin­nen. Ik tril en maak me zor­gen. Hoe gaat het met mijn lief? Heen en weer lopen, naar buiten en naar bin­nen gaan. Geen sec­onde rust in mijn hoofd. Een koude douche lucht wat op en ik neem me voor niet het erg­ste te denken en te wachten. In mijn hoofd komen beelden van Thaise gevan­genis­sen naar boven, advo­caten, rechtza­ken en andere rampscenario’s. Kan ik miss­chien nog iemand bellen om te helpen? Michiel zei dat hij het zou afhan­de­len en ik wil hem niet in de weg zit­ten. Hij weet wat’ie doet.

Na 1,5 uur (viel nog mee al ben ik een bonk stress) wordt er op de deur gek­lopt. Hoopvol vraag ik ‘Michiel’ en kan ik hem in de armen vallen. Uitein­delijk viel het alle­maal mee en zijn we met name geschrokken. Even knuffe­len op bed en een bak ijs helpen daar wel bij.


18° 54' N, 98° 57' E
25 May 2010, 17:00

Tijgeritis

41. Happy shot on bike

tij·ger de; m –s groot, kat­achtig roofdier met gestreepte huid

Grote dieren, roofdier… gevaar­lijk. Dat is af te lei­den uit de boven­staande defin­i­tie van het woord ‘tijger’. Van­daag hebben we besloten het lot te tarten en met ze te gaan knuffe­len. Het begon zo. We hebben weeer eens een brom­mer gehu­urd, het bli­jft toch een favoriet ver­vo­ersmid­del. We dachten als we het linksri­j­den over­leven dan hebben we genoeg karma om ook met tijgers te kun­nen knuffe­len en alle lede­maten te behouden. Op naar het ‘Tiger Kingdom’.

Hier kun je (tegen fikse betal­ing) bij tijgers in de kooi. Ze hebben vier cat­e­gorieen tijgers; kle­in­ste, klein, medium en groot. Het kiezen wat je wilde doen voelde meer aan als een bestelling bij een fast­food­keten. Michiel vond knuffe­len met de allerkle­in­sten (1 maand) meer dan genoeg ter­wijl ik ging voor de ‘combo’ (super­size kort­ing) van allerkle­in­sten, klein en groot. Bij de grote zou dan ook nog een fotograaf vol­gen om alles vast te leggen.

Op naar de kle­in­sten dus, wat een schat­jes zeg. Ze had­den nog blauwe ogen en slapen het groot­ste gedeelte van de dag. Ik had verwacht dat ze heel erg zacht aan zouden voe­len maar het voelde echt aan zoals menig knuffeldier op de ker­mis. De regels zijn sim­pel, niet optillen en niet mee spe­len. Niet dat de beestjes niet mogen spe­len maar als ze het nu aan­leren is het moeil­ijk om ze duidelijk te maken dat het niet meer kan als ze met een speelse duw een mens omverduwen.

We hebben geknuffeld, gekroeld, veel foto’s gemaakt en ons ver­baasd. Hoe groot die beestjes eigen­lijk al zijn, dat ze zo op kat­ten lijken, de grootte van de poten en de geur. Die klein­t­jes ruiken echt lekker!

Na vijf­tien minuten was onze tijd op en ging ik verder naar de kleine tijgers (ongeveer 3 maan­den). Wat een ver­schil. Nog steeds heel erg lui en moe, maar al zoveel groter. Ze hebben echt al tijger­am­bities en zijn een stuk speelser, al moet je oplet­ten. De kop en voor­poten mochten echt niet meer wor­den aanger­aakt, maar toch bli­jven ze geweldig. Net alsof je Simba met strepen in het echt zit te aaien. SUPER!

Als laat­ste dan nog de grote tijgers. Hoewel ik voor menig ding bang ben was ik hele­maal niet angstig om nu in de kooi te stap­pen. Samen met een fotograaf en trainer op naar de grote jonkies (na 2–2,5 jaar wor­den ze overge­plaatst dus ze zijn bijna altijd jong). Die zijn ook heel erg rustig, en nieuws­gierig. Graag had ik een bal­letje aan een stok met elastiekje gehad, maar ik vrees dat de tanden er korte met­ten mee maken. De foto­sessie (zo voelde het een beetje) was ontzettend gaaf. De fotograag sprake dan wel weinig Engels maar had humor en lol in zijn werk. Michiel keek van buiten het hek nog toe.

Er kwam ook een andere man voor zo een soort­gelijke sessie, maar die was na 2 minuten weer buiten. Blijk­baar toch te eng. Hoe het komt dat ik ze niet eng vind? Geen idee, maar ik heb er van­daag wel veel lol van gehad. Een cd’tje met 80 foto’s werd ons uit­gereikt en maken het hele­maal onvergetelijk.

‘s Mid­dags hebben we nog wat rondgere­den, geschuild oor de regen en zijn nog even langs de winkel gere­den van mijn cam­era. Gelukkig maar want er was iets met de bestelling en helaas is hij er pas over­mor­gen, nog een dagje extra wachten dus. We liggen nu op bed, uit­ge­blust maar wat een gave ervar­ing om met die welp­jes te knuffe­len. Geniet van de foto’s.


16° 28' N, 107° 35' E
1 May 2010, 16:26

Bye Vince and Siam

Het is gelukt… de brom­mers (Vince en Siam) zijn verkocht.
We hebben gis­teren niet zoveel gedaan, ik heb een beetje op bed gehangen want voelde me niet super en Michiel is met Sylvia naar het citadel geweest. ‘s Avonds zijn we lekker uit eten geweest en hebben nog wat op het balkon gechilled.

Het is ongelofe­lijk hoe moe we beide zijn, dus we doen het heer­lijk rustig aan.

Van­daag was dan de bedoel­ing om de motor­fi­et­sen te verkopen. Van de dame bij de recep­tie kre­gen we de straat door waar de meeste motor­bike shops (het heet hier een motor­bike) zaten. Wij op onze brom­mers erheen. We wer­den erg telerugesteld, van­wege de Saigonese num­mer­platen was het hoog­ste bod wat we kre­gen 3,5 miljoen dong (175 dollar).

We had­den juist gehoopt dat het in een grotere stad makke­lijker zou zijn om ze voor een goede prijs te verkopen…
Omdat de motor­bikes vies waren hebben we ze nog laten wassen en even naar de accu laten kijken van Michiel, helaas, die is er niet echt beter op geworden.

Het idee was om dan maar ergens in een toeris­ten­straat in een kroeg te gaan zit­ten met de brom­mers voor de deur met brief­jes erop. Alleen had­den we geen papier. Op zoek naar papier kwa­men we in gesprek met een NL meisje die vrien­den had die ze miss­chien wilde kopen. We had­den zelf bedacht om 450 dol­lar voor beide te vra­gen (in Saigon had­den we ze voor $420 kun­nen terug verkopen). Ze hap­ten toe aangezien ze naar Saigon zouden rij­den en zij ze daar ook kon­den verkopen. We had­den de prijs al genoemd, dus kon­den niet opeens omhoog gaan.
De heren had­den nog nooit een brom­mer gere­den en von­den het net zo span­nend als wij twee weken gele­den. Uitein­delijk hebben we afge­spro­ken samen te gaan eten zodat wij Sylvia nog even uit kon­den zwaaien.

We zijn nu net terug van het eten­tje, het was ontzettend gezel­lig en we hebben er dus $450 voor gekre­gen. We waren bang dat we het in dong betaald zouden kri­j­gen (op zich erg logisch) en waren aan­ge­naam ver­rast met de dol­lars omdat we die in alle lan­den om kun­nen wisselen.

De zelf­s­tandigheid en flex­i­biliteit zijn we nu de brom­mers verkocht zijn kwijt maar ook de ver­ant­wo­ordelijkheid en dat is ook wel weer fijn. Mor­gen nog een dagje relaxen in Hue en een bus naar Savan­hakhet (Laos) boeken en dan gaan we weer op pad. Wat zijn we toch een mazzelaars!


16° 48' N, 107° 5' E
28 April 2010, 11:18

Grenzelaos gelaoterd

Grr! Dat had zo’n leuke dag moeten wor­den, dachten we. Gis­ter­avond genoten we een beschei­den maaltijd als afscheid van dit ver­rukke­lijke land. We ston­den er eigen­lijk amper bij stil dat ons afscheid miss­chien best wat grootser had gemogen. In dit soort gevallen is er gelukkig altijd kos­mis­che pech die maakt dat je gewoon­weg de grens met Laos niet over komt en je het afschei­ds­maal nog eens dun­net­jes over kunt doen.

Een kilo­me­ter of 90 vanaf Dong Ha trof­fen we, gezeten op onze stalen rossen, de grensover­gang met Laos. We had­den onszelf goed laten informeren en begrepen dat de grens met een motor­fi­ets over te steken valt, maar dat je dan per fiets 25 dol­lar zou moeten betalen. De Viet­namese douaniers waarschuw­den ons echter al dat we waarschi­jn­lijk van een koude ker­mis thuis zouden komen. Een­maal onder de indruk­wekkende poort van Viet­nam door gelopen en aangekomen bij de wat min­der opzien­barende toe­gangs­boog naar Laos, wer­den we in het Lao­ti­aans terecht­gewezen. Motor­fi­et­sen mochten niet mee, maar om 1 uur ‘s mid­dags zou er een bus naar Savan­naket vertrekken. Wat!?

Na wat zoeken von­den we iemand die Engels sprak en ons wist te vertellen dat er de afgelopen maand nie­mand bij Lao Bao de grens over was gekomen zon­der zijn motor­fi­ets achter te laten. Wat vreemd? Een bel­letje gepleegd naar onze vrien­den in Saigon. Die raad­pleeg­den hun con­nec­ties bij de Viet­namese over­heid en kon­den alleen maar delen in ons ongeloof. Er zou geen enkele reden moeten zijn waarom we de grens niet over zouden mogen. Van­daag nog had­den ze mensen ont­moeten die, duidelijk ges­tig­ma­tiseerd door de Lao­ti­aanse sticker op hun sno­rap­pa­raten, vorige maand bij Lao Bao de grens over gekomen waren. Een con­clusie rest dus: hufters aan de grens! We zijn genade­loos genaaid, waarschi­jn­lijk alleen maar omdat de vrouw van de hoofd­grens­be­waker met de ver­keerde brom­snor is vreemdge­gaan. Erg­er­lijk en zonde van 180km ben­zine en levensvreugd.

Ern­stig gedesil­lu­sioneerd over al deze ongein zijn we dus terug gegaan naar Dong Ha met het voorne­men de fiet­sen dan maar hier te verkopen. Het hotel waar we vanocht­end uitcheck­ten wilde ons gelukkig nog terugne­men. Onze fiet­sen zijn echter min­der gelukkig: we von­den iemand die de fiet­sen voor de fooi van 4.5 miljoen dong wilde kopen (ter vergelijk­ing: eerder betaalden wij er 17 miljoen voor).

Mor­gen is Judica jarig en we had­den gehoopt daar een leuk Lao feestje van te kun­nen maken. In plaats daar­van gaan we maar op de fiets naar Hué, in de hoop onze fiet­sen daar voor een betere prijs te kun­nen sli­jten. Bijkomende com­pli­catie: 30 april en 1 mei zijn nationale feestda­gen en veel hotels (zo niet alle) zijn rond die dagen vol­ge­boekt. Hopen op een dak dus. Wat een ellende… (maar de zon schijnt!)


16° 48' N, 107° 5' E
26 April 2010, 16:01

Dong (ge)Ha(aald)

8. Wauwie!

Tjonge tjonge, wat een rit. Van­daag hebben we 230 km afgelegd. Na een dagje rust in Hoi An ( het was weer heer­lijk zoals vanouds) en een gezel­lige maaltijd met nieuwe vrien­den moesten we van­mor­gen echt verder. De brom­mers reden super, maar na 30 km bleek al dat we in Danang iets ver­keerd had­den gedaan. Opens was de zee aan de link­erkant in plaats van aan de rechterkant. Hoe het opgelost is weet ik nog steeds niet, maar het viel mee. Daarna was de vraag of we nu opde weg voor de tun­nel of voor de berg­pas zaten? Het bleek de berg­pas. Stiekum waren we daar wel blij mee, het was ongetwi­jfeld een omweg, maar ein­delijk weer even lege wegen en prachtige uitzichten.

Aan de kust is er meer ver­keer, het rijdt een stuk min­der relaxed en er is ook min­der te zien. We waren nogal teleurgesteld en ik met name had het even hele­maal gehad met die brom­mers. Uitein­delijk hebben we heel veel pauzes gehouden (ook om Michiels stuur weer even goed vast te zetten) en kwa­men we moe maar wel voldaan aan in Dong Ha. Geen kont meer over en dan nog een hotel zoeken. Omdat we jul­lie graag wilden verbli­j­den met een berichtje moesten we 3 hotels af voor­dat we inter­net had­den. Het resul­taat mag er zijn, een lift (joepie, niet trap­pen op sjouwen) heer­lijk schone witte lak­ens, airco en een schone badkamer.

Nu gaan we nog even een aflev­er­ing kijken en dan lekker slapen… we zijn heel heel heel erg moe. Mor­gen staan de tun­nels van de Viet­cong op de plan­ning, een heel dorp onder de grond… span­nend!


15° 5' N, 107° 44' E
23 April 2010, 9:35

Where no man has gone before

Er hangt hier een zweem van inspan­ningsvocht. De jon­gens naast ons zijn hard bezig hun per­soon­lijke high­scores te ver­beteren en dat ruik je. We zit­ten in een Inter­net­cafe in Dak Glei, ergens halver­wege de mid­dle of nowhere en de beschaafde wereld. Judica noemt het ‘The Val­ley of Beauty’. Het is hier echt prachtig.

Het eerste deel van onze route van Pleiku naar Dak Glei was snel­weg, snel­weg, snel­weg. Een tamelijk drukke route en niet echt heel mooi. Ons oor­spronke­lijke doel was om naar Plei Can te rij­den, maar we had­den de wind goed mee en kwa­men daar al voor de lunch aan. Wel even een lekker broodje ges­nackt, maar daarna toch nog maar even het gas erop. En dat werd beloond!

Vanaf Plei Can werd de weg steeds mooier. We waren in een heuvel­land­schap beland en waan­den ons ’ The King of the Road’. Nie­mand te beken­nen en prachtige wegen. Veel bochten en na elke wend­ing weer een nieuwe ver­rass­ing. Soms werd ons de adem benomen door een nieuw uitzicht op de vallei, andere keren ston­den we opeens oog in oog met een authen­tiek (nee echt!) dorp­shuis, com­pleet met rieten punt­dak en op palen.

Hier in Dak Glei is het leven echt anders, zo anders hebben we het nog niet meege­maakt. Het is hier rustig, de mensen zijn… anders. Eigen­lijk is het net alsof we in Bul­gar­ije zijn aangekomen. Bergen, riv­ieren en relaxte mensen.

Onder­weg hebben we nog wat belan­grijke knopen doorge­hakt. Oor­sponke­lijk was het plan om via de Ho Chi Minh route direct door te rij­den naar Hue, maar na bijna een week op de weg zijn we toch eigen­lijk wel aan een pauze toe. En wat wil het ‘toe­val’: Hoi An ligt op een dag reizen hiervandaan.

Natu­urlijk zijn we in Hoi An al lang geweest, hebben we er niets nieuws te verwachten en zijn de stran­den bek­end ter­rein. Prachtig, pre­cies wat we nodig hebben! Als de wegen meezit­ten liggen we mor­gen­mid­dag weer lekker in het zwem­bad. De dag daarop vullen we dan in met fruit­shakes, pootje baden en een paar bezoek­jes aan bek­ende adressen. Direct ook een goed moment om onze was te laten doen. Som­mige kled­ingstukken zijn namelijk als zodanig niet meer herken­baar en kun­nen best een opfris­beurt gebruiken.

Na Hoi An gaan we dan verder richt­ing de DMZ, het gebied waar in de Amerikaanse oor­log het heftigst is gevochten. In die streek bieden motor­ri­jders tours aan; miss­chien wil er een­tje ons wel op sleep­touw nemen. En daarna… het ruime sop van Laos in, hopelijk met onze motors en net als nu zon­der touristen.


13° 59' N, 108° 0' E
22 April 2010, 14:04

Immer geradeaus

9. Langs een kerf in de bast loopt de rubber in een keramieken bakje

Van­daag was een lange dag… en toch viel het ook weer mee. De lang­ste etappe tot nu toe stond op het schema, 185 km van Buon Ma Thuot naar Pleiku.
We zei­den van­mor­gen tegen elkaar, laten we kijken of we het trekken en hoe ver we komen. Van­mid­dag om half 3 waren we al ingecheckt in het hotel in Pleiku.
Van­daag hebben we de hele weg alleen maar relatief goed asfalt gehad. We kon­den door­ri­jd­den en haalden een gemid­delde van 35 km in 45 minuten en dan een kwartier pauze. Hele­maal niet verwacht dat het zo goed zou gaan dus we zijn blij ver­rast en maken plan­nen voor morgen.

Onder­tussen zijn we alweer een paar dagen op de brom­mer en moeten we kijken hoe en waar we de grens met Laos over gaan. Won­der­lijk genoeg ont­popt Michiel zich nu als ware plan­ner ter­wijl ik het alle­maal wel geloof. Zo een werel­dreis veran­derd de zaken toch een beetje.

Omdat er over de reis van van­daag niet zoveel te vertellen valt dan maar wat infor­matie over hoe het in zijn alge­meen gaat op de brom­mer. Meestal rijdt ik voorop, dat begon omdat ik niet zo hard durfde en zo Michiel niet kwi­j­traakte. Eigen­lijk zijn we daar gewend aan ger­aakt en hele­maal op de snel­weg is het een fijne gewoonte. Ik heb mijn spiegels zo ingesteld dat ik Michiel in de ene spiegel goed zie en in de andere spiegel het ver­keer in de gaten kan houden.

Een ander iets waar we tege­naan­liepen was het gebrek aan com­mu­ni­catiemogelijkhe­den. Zo hebben we nu een aan­tal toetersig­nalen afge­sprro­ken (iedereen toetert hier, twee keer toeteren is niet herken­baar genoeg). Zo is het toe­ter­de­un­tje van ‘die zien we nooit meer’ het teken om te stop­pen. De ander antwo­ord met de toeter van ‘terug’. Ook zijn er handtekens… als je een soort praat­pop nadoet (duim en vingers open en dicht) betekent dat dat de ander zijn knip­per­licht nog aan heeft staan. Cam­era nadoen = foto maken en een vlakke hand betek­end’ ik heb dorst, laten we een plekje met drinken in de schaduw zoeken’. Verder is er nog de duim opsteken om te vra­gen hoe het gaat.

Van­daag zijn we er achter gekomen dat dit sys­teem nog niet feil­loos werkt. Tij­dens onze rit komen we vaak vast te zit­ten achter vracht­wa­gens die nu een­maal vaak niet harder dan 30 gaan. Ik vind het eng enh durf daar dan niet zo snel langs, eerst even er lang­sheen kijken. Michiel toe­terde waar­door ik eerst in mijn spiegel moest kijken en elke kans om in te halen kon ver­geten. Nadat dit een paar keer was gebeurd vroeg ik wat hij ermee bedoelde.… Het was zijn sig­naal dat ik er niet langskon. Toch niet hele­maal duidelijk want toen ik een keer probeerde in te halen zag ik twee koplam­pen van een tegen­liggende vracht­wa­gen toch wel erg snel op me af komen.
Is dat dan niet gevaar­lijk? Ongetwi­jfeld maar ze rij­den hier niet zoals in NL. Als je inhaalt wordt er soms voor je geremd om je langs te laten… en het komt vaak voor dat mensen niet goed inschat­ten of ze in kun­nen halen ( in zo een geval wordt je als brom­mer door de auto die in wilde halen vaak van de weg af gedrukt).

Aaah, dat klinkt eng… tja, pret­tig is anders maar het gebeurt niet vaak en je went eraan. het is eigen­lijk erg overzichtelijk, let in eerste plaats op de kwaliteit van de weg, daarna op wegge­bruik­ers die je in wilt halen (met name brom­mert­jes want rustig op de weg) en daarna pas op het ver­keer achter je.
Heel simpel…


12° 9' N, 107° 53' E
20 April 2010, 14:47

Slippertjes 2 (the real deal)

9. In het dorpje verzamelen kinderen zich om ons heen

Hoe com­fort­a­bel snel­we­gen ook kun­nen zijn (hier is ook dat nog dis­cutabel), van­daag kozen we voor avon­tuur. Michiel had een prachtige route uit­gestip­peld die ons in 1 dag van Gia Nghia naar Buon Mo Thuot zou bren­gen en dan langs bin­nen­we­gen en een prachtig meer.

Gis­teren eindigde de rit nogal oms­tu­imig met veel stof en ste­nen. Van­daag begon de rit op dezelfde weg en Michiel lei­dde ons al snel de goede richt­ing op. Dit was echter amper nog een weg te noe­men. Judica klaagde na 2 km al dat dit niet echt haar droom­rit was. Het was onver­hard, maar leek hier en daar echt meer op een buckel piste. Na een half uur of uur kwa­menn we bij het eerste teken van leven. een klein stal­letje waar we direct wat te drinken kochten. De dames hier vertelden ons dat we in ieder geval op de goede weg zaten. Vol goede moed gin­gen we verder, maar het was afzien. Hier en daar was de onver­harde weg beter dan de snel­weg, dan was het mooi vlak. Soms was het net een offroad motor par­cours en was je al blij als je vooruit ging. Uit­er­aard reed menig Viet­namees ons met een flinke vaart glim­lachend voorbij.

Bij het vol­gende dor­pje was een splits­ing, we hebben gein­formeerd waar we heen moesten en haalden opgelucht adem, er was asfalt. De weg was prachtig en zou ons naar het dor­pje Dak Mak voeren waar we dan het natu­ur­reser­vaat in zouden rij­den. Dit stukje weg was een com­bi­natie van lege kro­nkel­wegget­jes (in 2 uur tijd zijn we niet één auto tegengekomen en slechts elke 10 minuten een andere brom­mer) met prachtige vergezichten en veel hoogte ver­schil. De weg vol­gende wer­den we steeds meer ver­rukt van de omgev­ing. Dit zouden ze ook zo het land van de duizend heuvels kun­nen noe­men. We bleven het asfalt vol­gen tot­dat deze ook weer overg­ing in een grote onver­harde weg.

Opeens zagen we weer een mini dorp alleen was de sfeer hier anders. De kinderen droe­gen meer gew­even kled­ing en waren wat donkerder. Een stukje verderop zagen we echt bam­boo huizen zoals we die in het open­lucht museum had­den gezien en wis­ten het zeker. Dit was een van de Cham stam­men die in het gebied wonen. Net zozeer als dat wij wer­den aange­gaapt keken we terug. Er was een klein stroom­pje waar kinderen naakt in speelden, baby’s wer­den op de rug gedra­gen in een doek en zware last werd getilt met een doek op het voorhoofd en de last op de rug. Dit is beter dan Sapa, het is echt en authen­tiek, en dan niet zoals de Lonely Planet het omschri­jft. We hebben op afs­tand wat foto’s van de huis­jes gemaakt maar wilden de mensen niet teveel in ver­legen­heid bren­gen. We reden verder op de goede onver­harde weg, er ston­den ver­keers­bor­den en we waren dan ook ver­baast dat één kilo­me­ter buiten het dorp de weg in zijn geheel niet meer bestond. Er was nog een klein jun­gle paadje. Omdat het best kon dat we al in het natu­ur­reser­vaat waren hebben we het jun­gle paadje nog even gevolgd maar toen er na 1 km nog geen ver­be­ter­ing was hebben we het opgegeven en zijn omgekeerd.

In het dor­pje wilden we vra­gen waar we waren. Uit­er­aard wer­den we direct bin­nen gevraagd (schoe­nen uit!) en mochten op de mat plaat­sne­men en mee geni­eten van het lokale ‘happy water’. Het was nog geen lunchtijd en we moesten nog rij­den, maar afs­laan kan/ mag niet. Een klein slokje dan maar. Deze locals vertelden ons dat we ergens in een mini dor­pje zaten en dat we ipv noordelijk oost­elijk waren gere­den. Dus weer terug.

Onder­weg toen we de kaart nog een keer bestudeer­den stopte een man die zijn dat Dak Mak (ik kan de naam niet meer horen) verder terug was ( we gin­gen dus de goede kant op nadat we waren omge­keerd). Zo reden we maar weer terug naar de vorige ‘grote’ provin­ci­es­tad om net voor de eerste regen­bui te schuilen bij een klein café. Daar vroe­gen we nog­maals de weg en ze zei dat dak Mak in de richt­ing lag waar we net van­daag kwa­men. Het wan­hopen begon. We hebben Chuong gebeld (red­der!) en hem gevraagd of hij kon ver­talen. Was er iemand die ons oor een bedrag de goede weg naar Dak Mak of de snel­weg wilde wijzen. Helaas, het regende, de prijs vervier­dubbelde en de afs­tanden wer­den genoemd. Nog 30 km (slechte weg) tot de snel­weg en dan nog 160 km naar BMT. De wan­hoop groeide.

Er waren nog twee opties. Of we zouden een slaap­plek proberen te zoeken in het mini dorp of proberen terug te komen naar de slaap­plek van de vorige nacht om mor­gen dan op de snel­weg richt­ing BMT te gaan. We besloten om terug te rij­den, dan had­den we mor­gen min­der voor de boeg (uit elk gehucht moet je ook weer wegkomen). Ter­wijl we teru­gre­den maak­ten we ons op voor de rotweg van het begin van de dag. Onder­tussen regende het niet meer hard maar miez­erde het, dus regen­jassen aan. Na 1 km op de weg terug zei Michiel dat het niet zo een goed idee was, Judica wilde echter toch verder. Een kilo­me­ter verder begon het een stuk te dalen. De weg was nat en mod­derig en de moed zakte ons in de schoe­nen. Nog even een stukje proberen zei Judica, Michiel benoemde dat hij het een erg slecht idee vond. Vij­fitg meter de helling af besloten we maar op te keren. Het was niet te doen en dit was echt nog niet het erg­ste stuk.

Omdraaien bleek makke­lijker gezegd dan gedaan, nadat we de brom­mers had­den omge­draaid liepen ze direct vast in de mod­der. Met veel moeite kre­gen we ze weer terug het heuveltje op, mede dankzij hulp van lokale Viet­n­mesen. Daar ston­den een aan­tal vracht­wa­gens te wachten die ook niet verder kon­den. De tip was om de tassen eraf te halen, zo was er min­der gewicht op het achter­ste wiel. We stopten even en kre­gen een stok om de mod­der mee uit de brom­mers te peuteren. De brom­mers deden het niet omdat geen profiel meer was maar een gladde klei achtige mod­der­laag op de ban­den en vooral ook tussen spat­bord en wiel waar­door de wie­len niet eens meer kon­den draaien.

Na een korte pauze om de regen wat weg te laten zakken (het zon­netje scheen weer) begonnen we aan de terug­weg naar het dor­pje. Alle opties waren weggevallen dus maar op zoek naar ene hotel. Het dorp heeft een hotel, ik zit er nu op bed. Voor een schamele 4,80 over­nachten wij hier met zijn tweeen. Voor­dat we naar bin­nen mochten moesten we ons eerst ont­mod­deren, we gle­den over straat zo glad waren onze schoe­nen. Geen airco en geen inter­net, geen hand­doekken (naja, van die mini hand­doeken die ook echt alleen voor je han­den werken) en geen lak­ens. Nadat we waren ingcheckt hebben we getankt waar­bij een vrien­delijke man ons erop wees dat we de motoren beter kon­den laten afspoe­len en ons de weg wees. Daar waren ze 20 minuten bezig om onze motoren mod­dervrij te maken zodat de wie­len weer ruimte hebben.

Onder­tussen had zich een grote groep kinderen verza­meld voor de spui­terij en waren wij de attrac­tie van de dag. Toen we wilden gaan eten was er een meisje dat goed Engels sprak en ons uitn­odigd in haar huis, we had­den zelfs mogen bli­jven slapen. Prachtig huis overi­gens en het meisje zelf was ook leuk. Mensen zijn hier zo behulpzaam en vrien­delijk dat we ons ver­baasd hebben en vereerd voelden. Na het eten wilden we deze post nog schri­jven in het lokale inter­net cafe maar het moment dat we inlog­den viel de stroom uit. Nu typ ik dit ter­wijl we onder onze klam­boe op bed zit­ten. Ondanks de klam­boe voelden we toch geprik en we vrezen voor vlooien.

Het was een geweldige dag en we hebben din­gen gezien die maar weinig mensen in Viet­nam zien. We hebben de gastvri­jheid mogen ervaren en zijn onder de indruk van het land… maar het liefst had ik toch in een iets schoner/ luxer bed gelegen.


11° 60' N, 107° 42' E
19 April 2010, 16:59

Slippertjes

12. Echt een provinciestadje

Goed geschoeid beri­j­den wij onze Kore­aanse vrien­den. Dat geld niet voor iedereen. Een van de vele din­gen die onder­weg op de Ho Chi Minh snel­weg opvie­len waren de slip­pert­jes. Regel­matig kwa­men we slip­pers tegen, een­zaam en alleen op het asfalt. Een enkele keer von­den we eerst het linker exem­plaar, om dan een paar kilo­me­ter later te moeten uitwijken voor zijn weder­helft. In tegen­stelling tot ons Ned­er­lan­ders, die ste­vig aan de voeten ver­ankerde Teva san­dalen dra­gen (och, wat een lelijke din­gen), besti­j­gen Viet­namezen steev­ast hun heilige koe op flip-flops. Dat is eigen­lijk een beetje dom.

Overi­gens waren dat niet de enige slip­pert­jes van­daag. Hele stukken van de Ho Chi Minh snel­weg zijn keurig geas­fal­teerd, niet breed, maar wel vlak. Op een paar plaat­sen wordt echter al hard gew­erkt aan de gep­lande ver­bred­ing van 2 naar 4 banen. Op die plaat­sen, vooral bij grotere ste­den, is het asfalt wegge­haald in voor­berei­d­ing op de gep­lande herbe­strat­ing. Met dit weer en gezien de aard van de onder­grond betekent dat twee din­gen: slip­pert­jes en rode gezichten. Niet rood van de zon, maar gewoon van alle opwaaiende aarde.

Toen we eind van de mid­dag, na een prachtige tocht met een paar aan­ge­name onder­brekin­gen (waaron­der een genoeglijk ver­to­even in de hang­mat), in provin­ciehoofd­stad Gia Nghia aankwa­men, zaten we dan ook volledig onder het rode stof. Mijn witte shirt was een roodgestreepte zebra­trui gewor­den en onze gezichten had­den meer kleur dan op grond van alleen de zon te verk­laren is. Ze zullen wel gedacht hebben, toen we hier het hotel bin­nen kwa­men: uit welke klei zijn die getrokken?

We hebben onszelf grondig schoongeschrobt en de kleren in de week gelegd. Daarna ben ik op jacht gegaan naar broodnodige pro­teï­nen. Die vond ik aan de overkant. In een eet­ten­tje trof ik een paar aardige mensen me op mijn gemimede eetwens bedi­en­den met een een­voudige maaltijd. Helaas was ook de plaat­selijke dronkaard, ooit poli­tieagent (zo leerde de foto in zijn porte­feuille me) present. Hij was door mij geob­sedeerd en bleef in het (dronke­mans) Viet­namees tegen me praten. Steeds weer gaf hij me hand­jes en later zelfs hand­kussen. Merk­waardig. De eige­naar schoot gelukkig te hulp en diende mijn maaltijd op een andere tafel dan van de dronkaard op (inmid­dels was ik namelijk aan diens tafel uitgenodig).

Even later ver­scheen ook mijn red­ding Judica ten tonele. Haar aan­wezigheid maakte een einde aan de opdringerigheid van de blauwe man. De eige­naar en zijn vrouw, samen met de kot­ers, vergezelden ons. We klet­sten wat (als je ons han­den– en voeten­werk zo mag noe­men) en leer­den en-passant tellen in het Viet­namees. De broer van de eige­naar, die later ook ver­scheen, had een opmerke­lijke belang­stelling voor Den­e­marken. Hij bleef het land op ons kleine Point-it kaartje aan­wi­jzen. Ik weet nog altijd niet wat hij daarmee probeerde te zeggen. Een klein slip­pertje van het anders onfeil­bare beeld­wo­or­den­boek. Even­goed een leuke avond. We zijn klaar voor de derde etappe.


11° 32' N, 106° 54' E
18 April 2010, 16:38

Broem broem.. vol gas vooruit

7. Het rare toetje an sich

Zo… daar zit­ten we dan. Onze billen uit te rusten na een lange (maar geweldige) dag op de brommer.

Van­mor­gen uit­gecheckt uit het hotel en naar de garage waar de brom­mers gestald ston­den. Na wat oefe­nen zaten de grote rugza­kken goed vast.
Daarna de tour door de ‘jun­gle van Saigon’. Zon­der kaart, met aan­wi­jzin­gen van Chuong en uit­er­aard ver­keerd gere­den. Ons nieuw gekochte kom­pas (de mini kom­pas­jes zijn helaas al alle­maal stuk) hielp goed want we moesten gewoon noordelijk gaan. Na 1,5 uur rij­den waren we ein­delijk in iets meer lan­delijke omgev­ing en was het hoog tijd voor een stop.

Die brom­mers zijn geweldig, maar je kri­jgt er echt een houten kont van. Na het afstap­pen trilden onze han­den nog even door. De man van de winkel leek soort van vereerd dat wij er waren. Na de drankjes nog even naar toi­let (Mon­golie stijl) en Michiel stond al bij de brom­mer. Hij had de kaart op mijn brom­mer gelegd en ik heb het niet gezien ben opgestapt en we zijn weg­gere­den. Na 7 km kwa­men we erachter dat we de kaart kwi­jt­waren. Flink wat gescholden toen, maar omge­keerd en gelukkig had de man van het kraampje/ winkeltje hem gevon­den. Dus weer verder onderweg.

Ander­half uur later nog een stop, we zijn gewoon in één keer goed gere­den, dus dat was een mee­valler. We waren nog geen 10 minuten onder­weg na deze stop of het begon te spet­teren. Na kort over­leg besloten we door te rij­den, 300 meter verder swton­den we echter onder een afdakje te schuilen want de wolken waren open gebro­ken boven ons hoofd. Na drie kwartier zijn we weer verder gere­den en hele­maal gemakke­lijk aangekomen op de plaats van plan­ning. Mijn tank was onde­tussen leeg en nadat we waren ingecheckt in een hotel gin­gen we op zoek naar een tankstation.

We reden en ik zei nog, vol­gens mij is de tank leeg waarop mijn brom­mertje er direct mee ophield en ik voor een pomp tot stil­stand kwam. Goed geregeld… want onder­weg tanken is moeil­ijker omdat de tank onder het zadel zit en de rugzak op het zadel zit vastgesnoerd.

Onze brom­mert­jes houden slechts 4 liter en we hebben daar van­daag bijna 150 km mee gere­den (vol­gens Michiels reken­werk). Met ver­schil­lende tussen­stops en de stad uitri­j­den hebben we daar 6– 6,5 uur over gedaan. Het lijkt langzaam maar het voelde maar als 4 uur. Is op zich redelijk want de snel­hei­d­slim­iet is 50 en zelfs dat rij­den we de helft van de tijd niet.

We hebben lokaal nog wat gegeten en waren de enige blanken die we hebben gezien. We merken hier wel echt hoe aardig Viet­name­sen zijn. Als er geen toeris­ten zijn klam­pen ze je niet con­stant aan en willen ze je niet alles verkopen. Ze vin­den het schit­terend als je hun ‘hello’met een hello of ‘Xin Chao’ beantwoord.

Vlak bij het hotel hebben we nog iets gedronken wat groen was en smaakte naar een soort van com­bi­natie tussen vanille vla en een spe­ciale vrucht. Erg lekker, maar ook erg vreemd.

Engels spreken is ook niet meer gebruike­lijk, ik heb vanavond een hand­doek moeten mimen. Niet moeil­ijk zou je denken, maar zelf het ‘point it’ foto­boekje was niet vol­doende (was echt een plaatje van een hand­doek, klein, maar wel een hand­d­doek). Ik heb Michiel maar gevraagd om wc papier te halen ;) .

We gaan vanavond vroeg naar bed om zo de buien van mor­gen­mid­dag voor te zijn. Ik heb er echt zin in, we zijn ein­delijk de stad uit en weg van de toeris­ten, real Viet­nam… here we are. Broem broem, vol gas vooruit.